ECLI:NL:CRVB:2015:2382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens verval recht en niet-verzekerd zijn per 2003
Appellant vordert een WAO-uitkering vanaf 1 januari 2013, stellende dat hij sinds 25 juli 1980 doorlopend arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft dit geweigerd omdat uit medisch onderzoek blijkt dat appellant vanaf 30 juni 1997 niet langer ongeschikt was voor zijn maatmanarbeid en de verslechtering van zijn gezondheid pas vanaf 1 januari 2003 is ingetreden, meer dan vijf jaar na het verval van zijn recht op WAO-uitkering.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt en stelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verslechtering pas vanaf 2003 zou zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de verslechtering pas in 2003 is ingetreden, onderbouwd met medische rapporten van een verzekeringsarts en psychiater.
Verder is vastgesteld dat appellant vanaf 1 januari 2003 niet meer verzekerd was voor de WAO, omdat hij feitelijk geen WAO-uitkering ontving, hetgeen volgens vaste rechtspraak vereist is voor verzekering. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.