ECLI:NL:CRVB:2024:1390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking terugwerkende kracht ANW-uitkering tot 1 november 2016
Appellante, woonachtig in Marokko, vroeg meerdere keren een nabestaandenuitkering (ANW) aan na het overlijden van haar echtgenoot in 2003. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvragen in 2004 en 2006 af vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid of verzorging van een minderjarig kind. Pas in 2017 werd opnieuw een aanvraag ingediend, waarna na onderzoek door het UWV werd vastgesteld dat appellante vanaf 2003 meer dan 45% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank stelde in oktober 2023 vast dat appellante recht had op de ANW-uitkering vanaf 1 november 2016, omdat het eerdere besluit uit 2004 onjuist was, maar niet door een fout van de Svb was veroorzaakt. Appellante maakte bezwaar tegen deze termijn en stelde dat zij recht had op een eerdere terugwerkende kracht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante het aanvraagformulier in 2004 onjuist heeft ingevuld door niet te vermelden dat zij arbeidsongeschikt was, waardoor de Svb geen aanleiding had tot nader onderzoek. Dit wordt aangemerkt als een fout van appellante zelf of een derde in haar opdracht, en valt onder haar risico. Er is geen sprake van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt.
Daarom is het besluit van de rechtbank juist en wordt het hoger beroep van appellante verworpen. Zij krijgt geen vergoeding van proceskosten. De terugwerkende kracht van de ANW-uitkering blijft beperkt tot 1 november 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een ANW-uitkering met terugwerkende kracht vóór 1 november 2016.