Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
J.P.M. Schreurs, accountant en gemachtigde van betrokkene.
OVERWEGINGEN
Inleiding
artikel 3:4, tweede lid, van de Awb een belangenafweging te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval het financiële nadeel van betrokkene onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen. In de situatie van betrokkene was de daling van de loonsommen over de maanden maart tot en met mei 2020 te wijten aan het beëindigen van een dienstverband per 1 maart 2020 (opzegging op verzoek van de werknemer) en per 1 mei 2020 (niet verlengen van een tijdelijk contract met wederzijds goedvinden). De eerste beëindiging vond plaats vóór de bekendmaking van de NOW-1 en was daarmee niet corona-gerelateerd. Hoewel de NOW-regeling dat strikt genomen niet toelaat, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval toch de ruimte bestaat om het loon van de per 1 maart 2020 vertrokken werknemer te betrekken bij het bepalen van de referentie-loonsom. De rechtbank ziet deze ruimte naar analogie van hetgeen de minister op 28 mei 2021 heeft opgemerkt over het uitfilteren van incidentele loonbetalingen: “Als de werkgever kan aantonen door middel van objectief verifieerbare gegevens uit de loonadministratie dat de loonkosten in de referentiemaand niet representatief waren, doordat er sprake was van het uitbetalen van bonussen, overuren, etc. dan kan Uwv deze gelden uit de loonsom filteren. Uwv kon dit binnen het vaststellingsproces al eerder voor de uitbetaling van vakantiegeld en een dertiende maand. Ondertussen kan Uwv dit in bezwaar ook voor incidentele componenten zoals de uitbetaling van vakantiedagen en overuren of gratificaties en bonussen. Door deze componenten in bezwaar zoveel mogelijk uit de loonsom te filteren wordt getracht onterechte vertekeningen in de loonsom van de werkgever met gevolgen voor de hoogte van de NOW-subsidie zoveel mogelijk tegen te gaan.” [1] Voor de minister is het volgens de rechtbank relatief eenvoudig om bij de referentieloonsom januari 2020 het loon van de per 1 maart 2020 vertrokken werknemer buiten beschouwing te laten. Betrokkene zal de daarvoor benodigde gegevens moeten aanleveren. Gelet op het feit dat het vertrek van deze werknemer niet corona-gerelateerd was, acht de rechtbank een negatieve prikkel ten aanzien van betrokkene niet op zijn plaats.
Het oordeel van de Raad
artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld, tenzij er sprake is van één van de (limitatief) in het tweede lid genoemde situaties. In die gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld.
15 april 2020 is verleend, niet onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 maart 2021 ongegrond;
- bepaalt dat de minister aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 360,-
Bijlage: wettelijke regels
artikel 7, […].