ECLI:NL:CRVB:2024:138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere subsidie NOW-2 wegens ingediende ontslagaanvraag bedrijfseconomische redenen
Appellante vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de NOW-2 regeling voor de periode juni tot en met september 2020. De minister stelde het voorschot vast op €155.796,-, maar verlaagde later de definitieve subsidie tot €23.619,- omdat appellante binnen de subsidieperiode een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen indiende en deze niet tijdig introk.
De rechtbank had het besluit van de minister bevestigd en oordeelde dat appellante zich niet aan de verplichtingen van de NOW-2 had gehouden. De Raad toetste het hoger beroep en concludeerde dat het indienen van formulier A een ontslagverzoek is zoals bedoeld in de regeling, en dat de minister terecht een belangenafweging maakte waarbij het algemeen belang van werkgelegenheid zwaarder woog dan het belang van appellante.
De Raad overwoog dat de NOW-2 regeling een generiek karakter heeft en dat de verlaging van subsidie passend en noodzakelijk is om het doel van behoud van werkgelegenheid te realiseren. Het financiële nadeel voor appellante werd niet als onevenredig beoordeeld, mede omdat zij vooraf op de gevolgen was gewezen en de ontslagaanvraag bewust niet introk.
Appellante's argument dat de ontslagen ook zonder corona zouden zijn gevallen, werd verworpen omdat de regeling geen onderscheid maakt naar achterliggende redenen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De subsidie op grond van de NOW-2 wordt definitief vastgesteld op €23.619,- vanwege het niet intrekken van de ontslagaanvraag binnen vijf dagen.