Appellante werkte als voltijds constructeur bij de Omgevingsdienst en meldde zich op 30 oktober 2017 ziek. Na een korte werkhervatting volgde opnieuw ziekteverzuim. Het Uwv kende haar een WGA-uitkering toe met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 30 oktober 2017 en stelde het ongemaximeerde dagloon vast op €236,17. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit, stellende dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 11 december 2017 moest zijn, het dagloon onjuist was vastgesteld en dat de Omgevingsdienst ten onrechte geen loonsanctie kreeg opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht geen loonsanctie oplegde omdat de beperkingen van appellante duurzaam waren en herstel niet mogelijk was. De rechtbank bevestigde ook de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het dagloon. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat het Uwv onterecht geen loonsanctie oplegde. De Omgevingsdienst heeft onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht, met name door het niet oplossen van een arbeidsconflict en het uitblijven van mediation. De Raad volgt het Uwv niet in de stelling dat herstel onmogelijk was; ook bij beperkte arbeidsmogelijkheden moet de werkgever inspanningen verrichten. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het ongemaximeerde dagloon zijn juist vastgesteld. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.
De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht, in totaal €4.270,16. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 22 januari 2024.