ECLI:NL:CRVB:2021:94
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel waarin werd geoordeeld dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een werknemer die wegens ziekte uitviel.
De werknemer, uitbener, viel uit vanwege een ernstige medische aandoening en ontving chemotherapie. De bedrijfsarts gaf wisselende adviezen over de inzetbaarheid van de werknemer. Het UWV stelde vast dat de werkgever onvoldoende had gedaan aan re-integratie en legde een loonsanctie op.
De werkgever voerde aan dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was en dat het opleggen van een loonsanctie niet doelmatig was. De Raad oordeelde dat er wel degelijk benutbare arbeidsmogelijkheden waren en dat de werkgever een inspanningsverplichting had om re-integratie-inspanningen te verrichten.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV en bevestigde dat de loonsanctie terecht was opgelegd omdat de werkgever zonder deugdelijke grond geen re-integratie-inspanningen had verricht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie van het UWV wordt bevestigd.