In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of het UWV terecht heeft vastgesteld dat werkneemster vanaf 17 maart 2016 niet doorlopend arbeidsongeschikt was. Werkneemster was vanaf april 2015 werkzaam als teammanager, met een dienstverband dat eindigde op 1 maart 2016. Op 17 maart 2016 meldde zij zich ziek bij het UWV, dat haar een Ziektewetuitkering toekende. Later trad zij in dienst bij appellante als interim-directeur, waarna zij zich opnieuw ziekmeldde.
Appellante, als eigenrisicodrager, betwistte de doorlopende arbeidsongeschiktheid en voerde aan dat zij niet verantwoordelijk is voor de ZW-uitkering. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat werkneemster bij indiensttreding al arbeidsongeschikt was. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft verricht, waaronder medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig rapport.
De Raad wijst de argumenten van appellante, waaronder bewijsnood en onvoldoende monitoring door het UWV, af. Er is geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling en geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank in stand blijven. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.