ECLI:NL:CRVB:2023:867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek bij vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als timmerman, meldde zich ziek met oogklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een telefonisch spreekuuronderzoek en arbeidsdeskundig onderzoek een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vast en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, waarna het UWV het percentage licht verhoogde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en vond het medisch oordeel voldoende gemotiveerd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nooit door een verzekeringsarts is onderzocht en dat het medisch onderzoek daarom niet zorgvuldig was. De Raad overwoog dat bij betwisting van de medische grondslag in de primaire fase een spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep vereist is, tenzij gemotiveerd kan worden dat dit niet nodig is.
Omdat in deze zaak geen spreekuurcontact plaatsvond en de motivering van het UWV onvoldoende was om daarvan af te zien, oordeelde de Raad dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was. Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. De Raad draagt het UWV op het gebrek te herstellen door alsnog een spreekuuronderzoek te laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Uitkomst: Het medisch onderzoek is onvoldoende zorgvuldig geweest, het UWV moet het besluit herstellen door een spreekuuronderzoek te laten uitvoeren.