Betrokkene ontvangt bijstand en heeft in de periode november 2017 tot oktober 2018 gokactiviteiten verricht zonder dit te melden, waardoor het college de bijstand deels introk en terugvorderde. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het onderzoek en de motivering onvoldoende waren en stelde een vuistregel vast waarbij gokinkomsten gelijk worden gesteld aan de ingelegde bedragen, mede op basis van pinopnames.
Het college ging in hoger beroep tegen deze vuistregel en het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar de Raad verwierp dit. De Raad benadrukte dat het vrijwel onmogelijk is voor betrokkene om een sluitende administratie van gokactiviteiten bij te houden en dat gokinkomsten niet schattenderwijs kunnen worden vastgesteld.
De Raad formuleerde een vooronderstelling dat de inkomsten uit gokactiviteiten gelijk zijn aan de ingelegde bedragen, gebaseerd op uitkeringspercentages uit een marktscan van de Kansspelautoriteit. Deze benadering is realistisch en de onzekerheid blijft voor rekening van betrokkene die zijn inlichtingenverplichting schond.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld.