ECLI:NL:CRVB:2023:494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting bezoldiging wegens onvoldoende bewijs beroepsincident arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerker bij een centrum, meldde zich in 2009 ziek na een incident waarbij zij een brandwond opliep door heet bakvet. Dit incident werd erkend als beroepsincident en leidde tot een eenmalige schadevergoeding. Later meldde zij zich ziek vanwege een whiplash na een auto-ongeval, waarna zij gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikt werd verklaard. De minister paste een korting van 30% toe op haar bezoldiging na 52 weken arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze korting ongegrond, stellende dat de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot het bakvetincident een finale regeling vormde en dat andere door appellante genoemde incidenten onvoldoende concreet waren gemaakt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelt dat niet is gebleken dat de langdurige arbeidsongeschiktheid van appellante het gevolg is van een of meer beroepsincidenten zoals bedoeld in artikel 35 van Pro het ARAR.
De Raad bespreekt afzonderlijk de vier door appellante genoemde incidenten (bedreiging, stalking, lijkvinding en brandstichting) en concludeert dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Het bakvetincident, hoewel erkend als beroepsincident, wordt niet als oorzaak van de arbeidsongeschiktheid vanaf 2012 gezien, mede omdat de ziekmelding toen verband hield met een whiplash.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de bezoldiging wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid door beroepsincident.