ECLI:NL:CRVB:2023:389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onvoldoende medewerking aan vermogenonderzoek in Turkije
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand sinds 2010. Na een gesprek in 2018 verklaarde appellant onroerend goed te bezitten in Turkije, waarop het college hem verzocht om machtiging en gegevens te verstrekken. Appellant leverde deze niet tijdig aan, waarna het college het recht op bijstand opschortte en introk. Tijdens bezwaar en hoger beroep betoogde appellant onder meer dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en dat de gevraagde gegevens niet relevant waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht mocht verzoeken om een machtiging met pasfoto, omdat deze gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Appellant heeft onvoldoende medewerking verleend door de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn te verstrekken, zonder aannemelijk te maken dat hij dit niet kon. Ook het argument over taalbeheersing leidt niet tot een ander oordeel.
Daarmee was het college bevoegd het recht op bijstand op te schorten en vervolgens in te trekken. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand wegens onvoldoende medewerking wordt bevestigd.