ECLI:NL:CRVB:2023:375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig servicemonteur, ontving sinds 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2019 stelde het UWV op basis van medische en arbeidskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering per 20 februari 2020 werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat zijn beperkingen waren onderschat, dat hij niet voldeed aan opleidingseisen voor geselecteerde functies en dat het maatmaninkomen onjuist was geïndexeerd. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de medische en arbeidskundige conclusies juist waren, en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, maar kon hij deze niet met nieuwe medische stukken onderbouwen. De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt waren en dat appellant voldeed aan de opleidingseisen, mede door zijn werkervaring. Ook het bezwaar tegen de loonindexering werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de beëindiging van de WGA-vervolguitkering per 20 februari 2020 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-vervolguitkering van appellant terecht heeft beëindigd per 20 februari 2020.