Uitspraak
Intrekking in verband met de auto
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds februari 2015 bijstand en kocht op 5 september 2018 een auto die hij niet meldde bij het college, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond. Het college stelde de waarde van de auto vast op €12.250,-, wat boven de vermogensgrens lag, en trok de bijstand over de periode van 5 september 2018 tot en met 11 maart 2019 in. Daarnaast herzag het college de bijstand wegens niet gemelde kasstortingen op de bankrekening van appellant.
Appellant voerde aan dat hij de auto voor minder had gekocht en dat de waarde te hoog was vastgesteld, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook stelde hij dat het college zijn schulden niet had meegewogen, wat eveneens niet werd onderbouwd. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van de ANWB-BOVAG koerslijst voor de waardebepaling en dat de inlichtingenverplichting objectief is, waarbij verwijtbaarheid niet vereist is.
Verder erkende appellant kasstortingen die hij niet had gemeld, maar kon niet aantonen dat deze afkomstig waren van eerder opgenomen bedragen. Het college mocht daarom de bijstand herzien. Appellant stelde dat zijn schulden een dringende reden vormden om terugvordering te voorkomen, maar maakte dit niet aannemelijk. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde auto en vermogensoverschrijding.