Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
20/698 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening loonsanctie wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante, werkgever van een werkneemster die zich ziekmeldde met rugklachten, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen. Na toekenning van een IVA-uitkering aan de werkneemster verzocht appellante het UWV om terug te komen op het loonsanctiebesluit, stellende dat er nieuwe feiten waren. Het UWV wees dit verzoek af, waarna appellante bezwaar maakte dat eveneens ongegrond werd verklaard.

De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de ingebrachte medische expertise geen nieuwe feiten bevatte en dat het verschil van mening over medische beoordeling geen grond is voor herziening. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de vraag of handhaving van het besluit kennelijk onredelijk was en dat de expertise van een arts nieuwe feiten aan het licht bracht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het nader ingediende stuk buiten beschouwing moest blijven wegens strijd met de goede procesorde. De Raad bevestigde dat het UWV het besluit terecht had gehandhaafd op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gebleken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot herziening van de loonsanctie wordt bevestigd.

Uitspraak

20 698 ZW

Datum uitspraak: 10 februari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2019, 19/1034 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[bedrijf] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam] , hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 12 mei 2020 heeft mr. R. Pot, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2023. Namens appellante zijn mr. Pot en [naam] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Werkneemster was werkzaam als assistent accountant in dienst van appellante toen zij zich met ingang van 2 december 2013 heeft ziekgemeld met rugklachten. Naar aanleiding van de door werkneemster ingediende aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante beoordeeld. Die beoordeling heeft geleid tot een besluit van 19 november 2015, waarbij het Uwv heeft beslist dat appellante het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 28 november 2016, omdat appellante niet aan haar reintegratieverplichtingen heeft voldaan. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit tot het opleggen van een loonsanctie heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2016 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft het Uwv aan werkneemster per 7 augustus 2017 een IVA-uitkering toegekend.
1.3.
Bij brief van 27 juni 2018 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 19 november 2015 op de grond dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, omdat het Uwv aan werkneemster met ingang van 7 augustus 2017 een
IVA-uitkering heeft toegekend. Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 19 november 2015, omdat na onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn waaruit zou blijken dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 25 februari 2019
(bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan appellante heeft gesteld, de expertise van orthopedisch chirurg dr. M.E. Sewnath van 30 juli 2017 geen nieuw feit of veranderende omstandigheid in de zin van artikel 4:6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert. In de expertise staan geen medische gegevens die niet bekend waren ten tijde van het loonsanctiebesluit. De klachten die ten tijde van de datum in geding speelden waren al bekend en zijn beoordeeld. Het verschil van mening tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dr. Sewnath ziet op de beoordeling van feiten en is geen nieuw feit of omstandigheid. Ook de beroepsgrond over de scholing, begeleiding en beoordeling van de AIOS levert geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid op. Dat het medisch onderzoek is verricht door een arts in opleiding is vermeld in het rapport van 16 november 2015, zodat appellante dit al in bezwaar had kunnen aanvoeren. Dat appellante pas recent bekend is geworden met de scholingseisen en wijze van beoordeling van de rapporten maakt dit niet anders. Een beoordeling door een arts in opleiding tot specialist was al ruim voor het loonsanctiebesluit bekend in de rechtspraktijk. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9910.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat niet is gebleken dat het Uwv onderzoek heeft gedaan naar de vraag of handhaving van het besluit kennelijk onredelijk is. Voorts heeft appellante verwezen naar de uitspraken van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2 en de uitspraken van 16 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:51 en ECLI:NL:CRVB:2015:52. Appellante stelt zich op het standpunt dat uit deze rechtspraak en de bij die uitspraken gepubliceerde annotaties volgt dat het Uwv vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid zich niet mag beperken tot onderzoek naar de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden, maar nader onderzoek dient te doen. Dit onderzoek is ten onrechte achterwege gebleven. Verder heeft appellante aangevoerd dat de expertise van 30 juli 2017 van dr. Sewnath wel nieuwe feiten aan het licht brengt. Deze arts heeft werkneemster onderzocht en heeft, ook aanmerking genomen de aanwezige medische gegevens, geconstateerd dat zij per einde wachttijd grote delen van de dag bedlegerig was en zij niet zelfstandig kon functioneren.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Namens appellante is op 4 januari 2023 een nader stuk, een rapport van dr. Sewnath, ingediend. Dit stuk is van 19 december 2022 en had eerder kunnen worden ingediend. Het Uwv heeft verzocht dit stuk buiten beschouwing te laten. Zoals ter zitting is besproken, volgt de Raad Uwv hierin en laat dit stuk daarom wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor buiten beschouwing.
4.2.
In geding is de afwijzing van het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 19 november 2015, waarbij het Uwv aan appellante een loonsanctie heeft opgelegd. Het Uwv heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. De rechtbank heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad het toetsingskader op juiste wijze weergegeven. De door appellante genoemde rechtspraak ziet op de beoordeling van verzoeken in het kader van artikel 4:6 van Pro de Awb over duuraanspraken. Een loonsanctie is geen duuraanspraak, zodat in die rechtspraak geen aanleiding is gelegen voor een andere conclusie. Het Uwv mocht het herzieningsverzoek dan ook afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De (enkele) verwijzing naar het rapport van dr. Sewnath leidt niet tot de conclusie dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.4.
De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2023.
(getekend) S. Wijna
(getekend) E.X.R. Yi