ECLI:NL:CRVB:2023:2188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit kinderbijslag met vijf jaar terugwerkende kracht ondanks bezwaar
Appellante ontving ten onrechte geen kinderbijslag voor haar tweede kind sinds de geboorte in 2006. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) ontdekte dit in januari 2022 en kende daarop kinderbijslag toe met terugwerkende kracht vanaf het eerste kwartaal van 2017, conform het beleid SB1067 dat een maximale terugwerkende periode van vijf jaar hanteert bij fouten in gegevensuitwisseling.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en vorderde kinderbijslag vanaf de geboorte van haar kind, stellende dat de fout volledig voor rekening van de Svb moet komen en dat artikel 3:309 BW Pro van toepassing is op de verjaringstermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hield het besluit in stand, waarop appellante hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat artikel 14 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) de juiste wettelijke grondslag is voor het besluit en dat de Svb het buitenwettelijk begunstigend beleid SB1067 consistent heeft toegepast. Het beroep op artikel 3:309 BW Pro en eerdere uitspraken is niet relevant omdat hier geen sprake is van onverschuldigde betaling, maar van niet-toekenning.
De Raad benadrukt dat de wetgever de terugwerkende kracht van kinderbijslag beperkt tot maximaal één jaar, en dat het beleid van de Svb met vijf jaar terugwerkende kracht een gunstiger afwijking is. Toetsing aan redelijkheid of bijzondere omstandigheden is niet aan de orde bij buitenwettelijk beleid. Appellante heeft geen schending van fundamentele rechten of inconsistentie in het beleid aangetoond.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en blijft het besluit van de Svb ongewijzigd. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van de Sociale Verzekeringsbank om kinderbijslag met vijf jaar terugwerkende kracht toe te kennen blijft in stand.