Appellant was bewindvoerder en bestuurder van een Stichting en had een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het geschil betrof de vraag of appellant als werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond en of hij aanspraak kon maken op een uitkering wegens betalingsonmacht van de Stichting.
De Raad stelde vast dat appellant formeel in een gezagsverhouding stond tot het bestuur van de Stichting, waardoor aan de criteria voor een arbeidsovereenkomst werd voldaan. Het feit dat appellant zelf deel uitmaakte van het bestuur en dat het bestuur incompleet was, deed hieraan niet af.
Echter, appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de Stichting ten tijde van de aanvraag in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde. Het salaris en andere betalingen waren tot eind 2018 voldaan, en het faillissement werd pas in november 2020 uitgesproken. Daarom werd de aanvraag om een faillissementsuitkering afgewezen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen.