Appellanten ontvingen bijstand en hadden in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018 diverse stortingen en bijschrijvingen van derden op hun bankrekeningen, waarvan zij het college niet op de hoogte hebben gesteld. Tevens heeft appellant in genoemde periode meerdere maanden gokactiviteiten verricht zonder dit te melden.
Het college heeft de bijstand herzien en teruggevorderd op grond van deze feiten, waarbij de bijschrijvingen als inkomen werden aangemerkt en de bijstand over de maanden met gokactiviteiten werd ingetrokken wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de stortingen en bijschrijvingen als middelen en inkomsten in de zin van de Participatiewet moeten worden beschouwd, en dat het niet melden van de gokactiviteiten een schending van de inlichtingenplicht vormt. Appellanten hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet vrij over de gelden konden beschikken of dat zij geen inkomsten uit het gokken hadden. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.