ECLI:NL:CRVB:2022:439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en verzekering Wlz en Zvw bij langdurig verblijf in het buitenland
Appellant verbleef sinds 2008 voornamelijk in Zuidoost-Azië en had zijn woning in Nederland in 2018 verkocht. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot dat appellant vanaf 1 november 2018 niet langer verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) vanwege het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant voerde aan dat de rechtbank onterecht geen oordeel gaf over inhoudingen op zijn AOW-pensioen en dat hij schade had geleden door de besluiten van de Svb.
De Raad oordeelde dat de rechtbank Amsterdam bevoegd was en dat de Svb terecht geen oordeel gaf over inhoudingen die onder de Belastingdienst vallen. Uit de omstandigheden bleek dat appellant geen duurzame band meer had met Nederland, waardoor hij geen ingezetene was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat appellant onvoldoende bewijs leverde van materiële of immateriële schade.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.