ECLI:NL:CRVB:2022:310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door werkweigering en weigering re-integratie
Appellante was werkzaam bij de provincie Noord-Brabant en meldde zich in september 2018 ziek, waarna zij door de bedrijfsarts volledig arbeidsgeschikt werd verklaard, ondanks verstoorde arbeidsverhoudingen. Mediationpogingen mislukten en het college riep appellante op om werkzaamheden te hervatten op een andere locatie, buiten de conflictsituatie. Appellante weigerde echter meerdere keren gehoor te geven aan deze oproepen, ondanks waarschuwingen over disciplinaire maatregelen.
Het college besloot daarop tot het staken van haar bezoldiging en stelde een disciplinaire straf van ontslag in het vooruitzicht, welke uiteindelijk op 2 april 2019 werd opgelegd. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant wees het beroep van appellante af en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellante eigenmachtig niet heeft voldaan aan de oproepen tot werkhervatting, hetgeen plichtsverzuim oplevert. De bedrijfsarts had haar arbeidsgeschikt verklaard en de werkzaamheden zouden plaatsvinden op een locatie waar het conflict niet speelde. Het niet verschijnen op gesprekken en het voortijdig vertrekken werden eveneens als weigering aangemerkt. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.