ECLI:NL:CRVB:2022:2211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante, die na langdurig verblijf in de Verenigde Staten in juni 2020 met haar kinderen naar Nederland terugkeerde, vroeg kinderbijslag aan. De Sociale verzekeringsbank wees dit af omdat zij op 1 juli 2020 nog geen ingezetene van Nederland was, een standpunt dat door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat ingezetenschap vereist dat er een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, wat bij appellante nog ontbrak. Zij had geen duurzame woonruimte, was kort in Nederland en had geen inkomen uit arbeid. Het feit dat zij was ingeschreven in de basisregistratie personen en familie in Nederland had, was onvoldoende.
Appellante voerde aan dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het arrest Wencel haar aanspraak op kinderbijslag ondersteunen, maar de Raad verwierp deze argumenten. De Verordening (EG) nr. 883/2004 was niet van toepassing op haar situatie. De belangen van de kinderen waren volgens de Raad voldoende betrokken bij de besluitvorming.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht had op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2020.
Uitkomst: Appellante had op 1 juli 2020 nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland en had daarom geen recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2020.