Appellant ontving sinds november 2015 bijstand en werd na een anonieme melding onderzocht omdat hij merkkleding en schoenen via Marktplaats verkocht zonder dit te melden. De sociale recherche stelde vast dat appellant in een periode van ruim acht maanden 519 advertenties plaatste. Het college beëindigde en trok de bijstand in en vorderde de ontvangen bedragen terug.
Appellant voerde aan geen handel te drijven en dat hij slechts incidenteel verkocht om extra inkomen te genereren. Hij stelde dat het college het recht op bijstand schattenderwijs had kunnen vaststellen en dat de inkomensvrijlating had moeten worden toegepast. Ook stelde hij dat het onderzoek van de sociale recherche onrechtmatig was en dat het college het bezwaar tegen het bruteringsbesluit ten onrechte niet had betrokken.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden omdat het ging om structurele verkoopactiviteiten die niet tijdig waren gemeld. Het onderzoek van de sociale recherche was rechtmatig voor zover het ging om het opvragen van openbare advertenties. Het recht op bijstand kon niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs, omdat appellant geen volledige administratie bijhield en contante betalingen niet controleerbaar waren. De inkomensvrijlating was niet van toepassing omdat het college niet kon beoordelen of de werkzaamheden bijdroegen aan arbeidsinschakeling.
De Raad stelde vast dat het college het bezwaar tegen het bruteringsbesluit had moeten betrekken bij de beoordeling van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit en verklaarde het beroep tegen dat besluit gegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en de Raad voorzag zelf in de zaak door het bezwaar tegen het bruteringsbesluit ongegrond te verklaren.