ECLI:NL:CRVB:2022:1676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering terecht wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellant ontving een WIA-uitkering die per 24 maart 2014 werd beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant meldde zich later ziek met psychische klachten en kreeg een Ziektewet-uitkering die het UWV op 10 november 2015 beëindigde wegens geschiktheid voor bepaalde functies. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische toestand was verslechterd en dat de functies niet passend waren vanwege het hoge tempo en de gelijkenis tussen functies. De Raad oordeelde dat er geen medische grondslag was voor een verslechtering en dat het handelingstempo en de gelijkenis van functies niet ter beoordeling stonden in deze ZW-procedure.
De Raad bevestigde het oordeel dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering is terecht beëindigd omdat appellant geschikt is voor de bij WIA-beoordeling geselecteerde functies.