Appellante ontving bijstand als alleenstaande, terwijl haar meerderjarige zoon met een Wajong-uitkering bij haar inwonde. Het college herzag de bijstand en paste de kostendelersnorm toe vanaf de 21e verjaardag van de zoon, wat leidde tot terugvordering van teveel ontvangen bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de kostendelersnorm niet op haar van toepassing zou moeten zijn vanwege haar mantelzorgsituatie en financiële problemen, en dat het college maatwerk had moeten leveren.
De Raad oordeelde dat artikel 22a van de Participatiewet dwingend recht is en geen uitzonderingen kent voor mantelzorgers, ook niet bij zorgbehoefte. De situatie van appellante kwalificeert niet als een zeer bijzondere situatie die maatwerk vereist. Daarnaast kon appellante redelijkerwijs begrijpen dat de kostendelersnorm vanaf de 21e verjaardag van haar zoon zou gelden.
Hoewel het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd omtrent de terugvorderingsberekening, werd dit motiveringsgebrek gepasseerd omdat appellante niet benadeeld was. De aangevallen uitspraak werd met verbetering van gronden bevestigd en het college werd veroordeeld in de proceskosten.