ECLI:NL:CRVB:2022:1315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Tozo-aanvraag en zelfstandigheidsvereiste bij start onderneming tijdens coronacrisis
Appellant startte zijn onderneming pas op 1 juli 2020 en vroeg bijstand aan op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) 2 en 3. Het college wees de aanvragen af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde dat hij op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat de enkele inschrijving in het handelsregister op 17 maart 2020 niet voldoende is; de zelfstandige moest daadwerkelijk werkzaam zijn vóór 18 maart 2020. Dit volgt uit de toelichting bij de Tozo en de wettelijke definitie van zelfstandige. Appellant voldeed hier niet aan omdat hij tot 1 juli 2020 bijstand ontving en pas daarna zijn bedrijf startte.
Verder is het niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat deze voorwaarde ook bij Tozo 2 en 3 gehandhaafd blijft, omdat zelfstandigen die tijdens de crisis startten rekening konden houden met beperkingen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Tozo-aanvragen wordt bevestigd.