Uitspraak
19 3627 BBZ
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
full jurisdiction. Zoals ter zitting is vastgesteld, beoogt appellante met deze grond aan te voeren dat de rechter de feiten niet terughoudend moet toetsen, maar daarover een eigen oordeel moet geven.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een zelfstandige in juridische dienstverlening, diende een aanvraag in voor bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. De gemeente Amsterdam wees de aanvraag af vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de levensvatbaarheid van het bedrijf, gebaseerd op een rapport van een deskundige rapporteur die het doorstartplan en de financiële prognoses onvoldoende vond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rapporteur niet deskundig was, het advies niet zorgvuldig tot stand was gekomen en dat het bedrijf wel degelijk levensvatbaar was. De Raad oordeelde dat het college zich terecht op het advies van de rapporteur mocht baseren, dat de Werkwijzer geen bindend voorschrift is en dat appellante onvoldoende onderbouwde omzetprognoses en marktanalyse had overlegd.
De Raad concludeerde dat appellante niet had voldaan aan de bewijslast voor levensvatbaarheid en dat de eerdere uitspraak en het bestreden besluit terecht waren. Ook werden de proceskosten niet toegewezen. De uitspraak werd op 7 juni 2022 door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand en bedrijfskapitaal wordt afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is.