Appellanten, minderjarigen die sinds 2003 als pleegkinderen bij hun grootouders wonen, ontvingen vanaf 2007 bijstand wegens zeer dringende redenen. In 2018 ontdekte het college dat de grootvader inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) ontving, wat leidde tot beëindiging van de bijstand per 1 oktober 2018.
Appellanten voerden aan dat de zorg van de grootouders vergelijkbaar is met reguliere pleegzorg en dat het college onterecht het inkomen van de grootouders betrok bij de beoordeling. De Raad oordeelde echter dat het college dit mocht doen, gelet op het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de feitelijke zorgverantwoordelijkheid van de grootouders.
Wel vond de Raad dat de gewenningsperiode van vier maanden te kort was, gezien de lange periode van elf jaar ononderbroken bijstand en de eerdere informatieverstrekking dat het inkomen van de grootouders geen rol speelde. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover het de ingangsdatum van de beëindiging betreft, en werd een gewenningsperiode van zes maanden vastgesteld, met beëindiging van de bijstand per 1 december 2018.