ECLI:NL:CRVB:2016:1098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand aan minderjarige verzorgde bij grootmoeder en voogd wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, een minderjarige die verblijft bij zijn grootmoeder en voogd, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat minderjarigen in principe geen recht op bijstand hebben, tenzij zeer dringende redenen dit rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het inkomen van zijn verzorgers niet meegewogen mocht worden bij de beoordeling van de dringende redenen en stelde dat er sprake was van rechtsongelijkheid en discriminatie. De Raad oordeelde dat het inkomen van de voogd en grootmoeder wel relevant is, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de verzorging en dit aansluit bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Verder werd geoordeeld dat verschillen in gemeentelijk beleid geen rechtsongelijkheid opleveren en dat er geen sprake is van discriminatie omdat appellant feitelijk verzorgd wordt door zijn voogd en grootmoeder. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van bijstand aan de minderjarige wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.