ECLI:NL:CRVB:2022:1087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand voor bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaar bedrijf en inkomen boven bijstandsnorm
Appellant startte in 2016 een eenmanszaak gericht op energieadvies en vroeg in 2018 en 2019 bijstand aan voor bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004. Beide aanvragen werden afgewezen omdat het inkomen van appellante hoger was dan de bijstandsnorm en het bedrijf niet levensvatbaar werd geacht.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat het inkomen van appellante lager zou zijn dan de bijstandsnorm en dat het bedrijf wel levensvatbaar was. De Raad oordeelde dat het inkomen onbetwist hoger was dan de norm en dat appellanten deze grond niet opnieuw mochten aanvoeren.
Verder stelde de Raad vast dat het bedrijf niet als zelfstandige in de zin van het Bbz kon worden aangemerkt vanwege het inkomen boven de bijstandsnorm. Het FCBV-advies concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar was, gebaseerd op een analyse van omzetverwachtingen, marktpositie en financiële haalbaarheid. Appellanten konden de conclusies niet met objectieve gegevens weerleggen.
De Raad vond dat het college terecht van het FCBV-advies mocht uitgaan en dat de afwijzing van de bijstand terecht was. Ook het procesbelang van appellanten werd erkend vanwege de gevraagde vergoeding van rechtsbijstandskosten in de bezwaarfase. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en de hoger beroepen werden afgewezen.
Uitkomst: De bijstandaanvragen voor bedrijfskapitaal zijn afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is en het inkomen boven de bijstandsnorm ligt.