Appellante ontving bijstand sinds 2014 en werd onderzocht na een melding over haar woonadres. Uit onderzoek bleek dat zij meerdere stortingen en casino bezoeken had gedaan. Het college herzag en trok bijstand in over diverse perioden vanwege gokactiviteiten en niet-gemelde inkomsten. De storting van €4.000 op 11 december 2017 werd als inkomen aangemerkt, ondanks de verklaring van haar dochter, omdat de herkomst onduidelijk bleef.
Het college baseerde intrekkingen op gokactiviteiten, waarbij voor de periode november 2015 tot maart 2018 vaststond dat appellante gokte zonder melding te maken, waardoor recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Voor april en mei 2018 was alleen aanwezigheid in het casino vastgesteld, maar geen bewijs van gokken. De Raad oordeelde dat uit enkel aanwezig zijn in het casino geen gokactiviteiten konden worden afgeleid en vernietigde de intrekking over deze maanden.
Ook werden aanvragen om algemene en bijzondere bijstand afgewezen op basis van onjuiste feitelijke grondslagen. De Raad vernietigde deze besluiten en bepaalde dat het college nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.