Uitspraak
19 1350 WW
van 4 maart 2019, 18/4652 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was van 1992 tot 2018 werkzaam en ontving vanaf april 2018 een WW-uitkering. Het UWV bracht het prepensioen dat zij sinds oktober 2016 ontving in mindering op deze uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verrekening ongegrond, omdat de wet- en regelgeving dit voorschrijven en er geen uitzonderingen van toepassing waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de wet niet in redelijkheid werd toegepast, omdat zij financieel slechter af was door de volledige korting van het prepensioen. Tevens stelde zij dat een medewerker van het UWV telefonisch had toegezegd dat de korting mogelijk ongedaan zou worden gemaakt, wat niet werd nagekomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wettelijke regeling, met name artikel 47 van Pro de WW en artikel 3:5 van Pro het AIB, duidelijk voorschrijven dat het prepensioen wordt verrekend met de WW-uitkering. Er is geen sprake van strijd met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen. Ook was er geen bewijs voor de vermeende toezegging van het UWV. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de verrekening van het prepensioen op de WW-uitkering bevestigd.