ECLI:NL:CRVB:2021:33
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was werkzaam als activiteitenbegeleidster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat zij per 16 november 2016 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij geschikt werd geacht voor functies als productiemedewerker industrie en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de rechtbank het beginsel van equality of arms had geschonden door zelf medisch te oordelen. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante gegevens had betrokken en dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een ander oordeel zou leiden.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellante geschikt is voor de genoemde functies en dat er geen aanwijzingen zijn dat haar beperkingen zijn toegenomen. Ook is het oordeel van de verzekeringsarts dat appellante niet voldoet aan de standaard duurbelasting voldoende gemotiveerd.
Er is geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel en geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.