ECLI:NL:CRVB:2020:1575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek zonder schending equality of arms
Appellant, voormalig machine operator, ontving een ZW-uitkering die per 23 juni 2016 door het UWV werd beëindigd op grond van een medisch oordeel dat hij geschikt was voor ten minste één functie binnen de Wet WIA. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar dit werd door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen en dat het beginsel van equality of arms was geschonden. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante medische gegevens had betrokken en dat de rapporten van het Instituut Psychosofia geen aanleiding gaven tot twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad bevestigde dat in een ZW-procedure geen ruimte is voor beoordeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA en dat appellant tegen het WIA-besluit rechtsmiddelen kan aanwenden. Er was geen reden om een deskundige te benoemen of te oordelen dat het equality of arms-beginsel was geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.