Uitspraak
20.1487 WAJONG
6 maart 2020, 19/530 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende in 2009 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat hij niet als jonggehandicapte werd aangemerkt. In 2018 vroeg appellant terug te komen op dit besluit met nieuwe medische stukken, waaronder een psychologisch verslag over licht verstandelijke beperkingen en verslavingsproblematiek. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren die aanleiding gaven tot herziening van het oorspronkelijke besluit. Ook de stelling van appellant dat hij recht zou hebben op een Wajong-uitkering op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid en de regeling van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad concludeerde dat de rechtbank de zaak zorgvuldig en gemotiveerd had behandeld en dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden dat hij gedurende tien jaar na zijn achttiende jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de afwijzing van de Wajong-aanvraag wordt bevestigd.