Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf daarbij verschillende adressen op als verblijfplaatsen. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt waar zijn hoofdverblijf was. De rechtbank stelde appellant in het gelijk en oordeelde dat hij tot de kring van rechthebbenden behoorde, maar handhaafde de afwijzing over het hoofdverblijf. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en oordeelt dat appellant zijn hoofdverblijf wel aannemelijk heeft gemaakt op het adres waar hij tijdens een onaangekondigd huisbezoek werd aangetroffen.
De Raad overweegt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant op dat adres lag, mede gelet op verklaringen en onderzoeksbevindingen. Het college mocht de afwijzingsgrond over het hoofdverblijf niet handhaven zonder nieuwe motivering. De Raad bepaalt dat bijstand moet worden toegekend vanaf de datum van melding, 8 september 2016, en herroept het eerdere besluit van 30 januari 2017.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de kosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak vervangt het vernietigde gedeelte van het besluit van 14 mei 2018.