ECLI:NL:CRVB:2021:296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand onterecht wegens tijdelijk verblijf buiten woonplaats door coronamaatregelen
Betrokkene lijdt aan hyperacusis en verblijft grotendeels in een speciaal uitgeruste bestelauto in de gemeente [gemeente]. Vanwege coronamaatregelen kon zij tijdelijk geen gebruik maken van publieke voorzieningen en verbleef zij vanaf 21 maart 2020 bij haar ouders in een andere gemeente. Het college beëindigde daarop haar bijstand per 11 mei 2020, omdat zij meende dat betrokkene haar woonplaats had verplaatst.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit en bepaalde dat de bijstand ongewijzigd moest worden voortgezet, omdat het verblijf bij de ouders tijdelijk was en betrokkene haar woonplaats in de gemeente [gemeente] niet had opgegeven. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op 11 mei 2020 haar woonplaats had verplaatst. Het tijdelijke verblijf bij haar ouders was een gevolg van de coronamaatregelen en betrokkene had haar sociale leven en medische zorg in de gemeente [gemeente]. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt verworpen en de bijstand wordt ongewijzigd voortgezet.