ECLI:NL:CRVB:2021:2663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV en vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV over haar arbeidsongeschiktheidspercentage. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin het UWV werd opgedragen een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen, rekening houdend met toegenomen beperkingen door psychische klachten en rugklachten.
Het UWV heeft vervolgens op 17 februari 2021 een gewijzigd besluit genomen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante werd vastgesteld op 35 tot 45%. Appellante was het niet eens met de mate van beperking voor duwen en trekken en vorderde vergoeding van kosten en schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelt dat het gewijzigde besluit van het UWV terecht is en verklaart het beroep tegen dit besluit ongegrond. Het eerdere besluit van 13 december 2016 wordt vernietigd. De redelijke termijn is met ruim achttien maanden overschreden, waarvan een deel voor rekening van het UWV en een deel voor rekening van de Staat komt. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.889,- en de Staat tot €111,-. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 13 december 2016 wordt gegrond verklaard en vernietigd; het beroep tegen het gewijzigde besluit van 17 februari 2021 wordt ongegrond verklaard; het UWV en de Staat worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.