ECLI:NL:CRVB:2021:2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen gezamenlijke huishouding en toekenning ongehuwdenpensioen AOW
Appellanten ontvingen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin werd vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, met als gevolg toekenning van een gehuwdenpensioen en beëindiging van de partnertoeslag. Na bezwaar en eerdere uitspraken volgde een nader onderzoek door de Svb, dat werd gebaseerd op verklaringen van buurtbewoners en huurders.
De Raad oordeelde dat de Svb onvoldoende gemotiveerd had dat appellanten hun hoofdverblijf in de te beoordelen periode op hetzelfde adres hadden. De verklaringen betroffen perioden vóór of na de te beoordelen periode en waren onvoldoende concreet. Tevens was de hoorplicht geschonden omdat appellanten niet opnieuw konden reageren op de nieuwe onderzoeksbevindingen.
De Raad vernietigde de bestreden besluiten en herroept de besluiten van 18 januari 2016, waarbij werd vastgesteld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad bepaalt dat appellanten vanaf 18 december 2015 recht hebben op een ongehuwdenpensioen. Daarnaast wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten en wordt bepaald dat tegen nieuwe besluiten alleen beroep bij de Raad mogelijk is.
Uitkomst: De besluiten van de Sociale verzekeringsbank worden vernietigd en appellanten krijgen recht op een ongehuwdenpensioen vanaf 18 december 2015.