ECLI:NL:CRVB:2021:2533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van ingangsdatum ouderdomspensioen op 1 april 2018 zonder coulanceperiode
Appellante, geboren in 1939 en sinds 1961 woonachtig in België, vroeg in april 2019 een ouderdomspensioen aan bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb kende het pensioen toe met ingang van 1 mei 2018, later gewijzigd naar 1 april 2018 vanwege telefonisch contact over het pensioen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze ingangsdatum ongegrond, omdat geen sprake was van een bijzonder geval voor een terugwerkende kracht van meer dan een jaar.
In hoger beroep stelde appellante dat zij vanaf eind 2016 tot 1 mei 2018 bij haar zus in Nederland had gewoond en dat zij uit coulance een ouderdomspensioen over deze periode zou moeten krijgen. De Raad toetste dit aan artikel 16, tweede lid, van de AOW en de beleidsregel SB1071, waarin een bijzonder geval wordt erkend als de aanvraag te laat is door een niet aan de belanghebbende toe te rekenen oorzaak of verschoonbare onbekendheid met het recht.
De Raad oordeelde dat onbekendheid met de wet in dit geval niet verschoonbaar was en dat er geen sprake was van onjuiste of onvolledige voorlichting door de Svb. Ook was de aanvraag in België niet gelijk te stellen aan een aanvraag in Nederland, omdat appellante niet had gemeld dat zij in Nederland had gewoond. De Raad bevestigde daarmee de ingangsdatum van 1 april 2018 en wees het beroep af.
De uitspraak benadrukt dat de wet en beleidsregels geen ruimte bieden voor coulance in de situatie van appellante en dat de Svb correct heeft gehandeld door het pensioen niet met terugwerkende kracht toe te kennen over de periode dat zij bij haar zus woonde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het ouderdomspensioen met ingang van 1 april 2018 is toegekend zonder coulance voor de periode dat appellante bij haar zus woonde.