ECLI:NL:CRVB:2019:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante, geboren in 1942, diende in september 2015 een aanvraag in voor een ouderdomspensioen (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met ingang van 14 september 2014, één jaar vóór de aanvraagdatum, conform de wettelijke regel dat terugwerkende kracht niet verder kan gaan dan één jaar.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beperking en stelde dat er sprake was van een bijzonder geval, onder meer omdat de Svb haar niet had geïnformeerd over de gevolgen van het niet tijdig aanvragen en zij psychisch niet in staat was eerder te verzoeken. Ook stelde zij dat de Svb had moeten onderzoeken of er sprake was van financiële hardheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij door niet aan haar toe te rekenen omstandigheden niet tijdig kon aanvragen. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de Svb geen inlichtingenplicht heeft en dat er geen sprake is van onjuiste of onvolledige voorlichting. Ook is niet gebleken van een bijzonder geval dat een terugwerkende kracht van meer dan één jaar rechtvaardigt.
De Raad benadrukt dat de toets op hardheid pas aan de orde komt indien een bijzonder geval is vastgesteld, hetgeen hier niet het geval is. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de AOW slechts met terugwerkende kracht van één jaar wordt toegekend wegens het ontbreken van een bijzonder geval.