Appellant, geboren in 1945 en van Nederlandse nationaliteit, studeerde van 1968 tot 1972 in Zwitserland en werkte daarna in Groot-Brittannië en Zwitserland. Hij vroeg in 2010 een AOW-pensioen aan via het Zwitserse orgaan, maar gaf toen geen Nederlandse woon- of werktijdvakken op. Pas in 2019 meldde hij deze aan het Zwitserse orgaan, waarna de aanvraag werd doorgestuurd naar de Sociale verzekeringsbank (Svb).
De Svb kende een ouderdomspensioen toe met een uitkeringspercentage van 16% en een ingangsdatum van 1 december 2018, omdat de aanvraagdatum werd gesteld op 25 november 2019. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval en dat appellant onvoldoende feiten had aangevoerd om een hogere uitkering te rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep toetste ook aan Europese coördinatieverordeningen en oordeelde dat de aanvraagdatum niet 15 januari 2010 was, omdat appellant toen geen melding had gemaakt van Nederlandse tijdvakken. De Raad stelde vast dat appellant zijn ingezetenschap in Nederland had behouden tot zijn huwelijk in 1971, waardoor hij verzekerd was voor de AOW in die periode. De korting op het pensioen werd daarom vastgesteld op 76%. De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.