ECLI:NL:CRVB:2021:242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij bijzondere bijstand en executoriaal beslag
Betrokkene vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van sociaal-culturele activiteiten en het eigen risico van de zorgverzekering. Het college wees de aanvragen af vanwege een te hoog inkomen, waarbij ook het inkomen waarop executoriaal beslag rustte werd meegerekend.
De rechtbank vernietigde deze besluiten en oordeelde dat het college het beslaginkomen niet in aanmerking mocht nemen bij de draagkrachtbepaling. Het college ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het college bij de vaststelling van de draagkracht alleen het inkomen mag meenemen waarover betrokkene feitelijk kan beschikken. Inkomen waarop executoriaal beslag rust, kan betrokkene niet aanwenden en mag daarom niet worden meegerekend. Het college kan wel een verplichting opleggen om het beslag te laten opheffen en bijzondere bijstand verlagen bij nalatigheid.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van het college af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het college mocht het inkomen waarop executoriaal beslag rust niet meenemen bij de draagkrachtbepaling; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.