ECLI:NL:CRVB:2021:227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling WAZ-uitkering en boete wegens niet gemelde inkomsten uit hennepkwekerij
Appellant, aan wie een WAZ-uitkering was toegekend, had in zijn woning een hennepkwekerij waaruit hij inkomsten zou hebben genoten. Na een politieonderzoek en een rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel stelde het UWV de uitkering over de periode maart tot mei 2016 op nihil en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende bewijs leverde dat hij de kwekerij niet exploiteerde of geen inkomsten had ontvangen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat hij geen werkzaamheden verrichtte en de hennepteelt was mislukt. Hij voerde ook aan dat hij niet strafrechtelijk werd vervolgd.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant inkomsten uit de hennepkwekerij had genoten en dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel juist was. Het beroep op de onschuldpresumptie faalde omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet vervolgd zou worden. De boete wegens schending van de inlichtingenplicht werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de nihilstelling van de WAZ-uitkering en de boete worden bevestigd.