ECLI:NL:CRVB:2021:1937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandslening zelfstandige op grond van Bbz 2004
Appellante, directeur-grootaandeelhouder van een online dienstverlenend bedrijf, ontving in 2016 een renteloze lening op grond van het Bbz 2004. Het college stelde het recht op bijstand definitief vast en vorderde een bedrag van € 11.008,77 terug, gebaseerd op een netto-inkomen van € 18.648,- over 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de facturen van december 2016 niet meegenomen mochten worden omdat zij pas in 2017 betaald werden, en dat zij als DGA in loondienst was en niet over de middelen van haar bedrijf kon beschikken.
De Raad oordeelde dat het netto-inkomen moet worden vastgesteld aan de hand van de jaarrekening, inclusief de in december 2016 verzonden facturen, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij niet over deze bedragen kon beschikken in 2016. Ook maakte haar status als DGA geen verschil, aangezien zij volledige zeggenschap had over het bedrijf.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de bijstandlening bevestigd.