Uitspraak
19 3257 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van een vermeende jonggehandicaptenstatus. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat zij arbeidsvermogen had. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze beslissing.
De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan de wettelijke criteria voor jonggehandicapten, omdat zij op haar achttiende verjaardag niet duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. Uit verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige onderzoeken bleek dat zij met begeleiding ten minste vier uur per dag belastbaar was en ten minste een uur aaneengesloten kon werken.
Appellante voerde aan dat haar medische situatie niet was gewijzigd en dat zij niet zelfstandig taken kon uitvoeren, maar deze stellingen werden niet voldoende onderbouwd om het oordeel van het Uwv te weerleggen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen duidelijke toezegging van het Uwv was gebleken.
De Raad concludeerde dat appellante niet jonggehandicapt was op haar achttiende verjaardag en dat de afwijzing van de Wajong-uitkering terecht was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van jonggehandicaptenstatus en voldoende arbeidsvermogen.