ECLI:NL:CRVB:2020:924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budgetten AWBZ jaren 2008-2013
Appellanten ontvingen persoonsgebonden budgetten (pgb) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de jaren 2008 tot en met 2013. Het zorgkantoor stelde de pgb's vast en keurde later delen van de verantwoording af, onder meer vanwege betalingen voor activiteiten die niet als AWBZ-zorg kwalificeerden, zoals jaarlijkse uitstapjes naar Euro Disney.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten gegrond en vernietigde de bestreden besluiten gedeeltelijk. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak echter geheel, behoudens proceskosten en griffierecht, en stelt zelf de pgb-bedragen en terugvorderingen vast. Het zorgkantoor had bevoegdheid om de subsidievaststellingen ten nadele van appellanten te wijzigen en onverschuldigde betalingen terug te vorderen.
De Raad oordeelt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij het pgb volledig en correct hebben besteed, mede doordat contante betalingen niet overeenkwamen met facturen. Het zorgkantoor mocht het belang van handhaving van de zorgbestemming laten prevaleren boven de belangen van appellanten. De Raad veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt eerdere besluiten en stelt nieuwe vaststellingen en terugvorderingen van pgb's voor 2008-2013 vast.