Appellant was jarenlang werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar bij een gemeente en werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit volgde op bezoeken aan een metaalbewerkingsbedrijf waar sprake was van vermoedelijk verboden wapenbezit. Appellant heeft tijdens het onderzoek onvolledige en onjuiste verklaringen afgelegd en belangrijke feiten verzwegen, waaronder een tweede bezoek aan het bedrijf en gesprekken over het wapen.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag gerechtvaardigd was vanwege de ernst van de gedragingen, waaronder het niet melden van belangrijke informatie en het mogelijk frustreren van een strafrechtelijk onderzoek. Het hof sprak appellant vrij van opzettelijke schending van het ambtsgeheim, maar erkende wel schuld aan onzorgvuldig handelen.
Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beslissing en stelt dat, ondanks persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en lange staat van dienst, de gedragingen van appellant ernstig genoeg zijn om het ontslag en de weigering van de uitkering te rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.