ECLI:NL:CRVB:2020:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WIA-uitkering wegens verblijf in buitenland
Appellant ontving sinds 2007 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. In 2014 ontving het UWV een anonieme melding dat appellant al jaren in Tanzania woonde en werkte, wat leidde tot onderzoek en het besluit de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 2011 in te trekken en terug te vorderen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Hij verzocht later om terugkomen van deze besluiten, wat eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de besluiten niet evident onredelijk waren.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met het eigen risicodragerschap van zijn ex-werkgever en dat hij erop mocht vertrouwen dat contact met die werkgever voldoende was. De Raad oordeelde dat appellant niet was ontslagen van zijn inlichtingenplicht en dat er geen bewijs was dat zijn ex-werkgever volledig op de hoogte was. Ook maakte het eigen risicodragerschap de besluiten niet evident onredelijk.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat het UWV terecht niet was teruggekomen op de besluiten tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.