ECLI:NL:CRVB:2020:690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep UWV over berekening dagloon WAZO-uitkering volgens Dagloonbesluit
Betrokkene ontving een WAZO-uitkering waarvan het dagloon door het UWV werd vastgesteld op €111,10, berekend volgens artikel 12d van het Dagloonbesluit. De rechtbank had dit besluit vernietigd en het dagloon vastgesteld op €189,32, omdat het loon over een deel van de referteperiode niet was meegenomen, wat volgens de rechtbank in strijd was met artikel 3:13 WAZO Pro en het dervingsbeginsel.
Het UWV stelde in hoger beroep dat het dagloon juist was berekend op basis van het genoten loon in het aangiftetijdvak waarover de werkgever opgave had gedaan, conform vaste rechtspraak en de wettelijke regeling. De Centrale Raad van Beroep volgde dit standpunt en verwierp het oordeel van de rechtbank dat artikel 3:13 WAZO Pro ruimte biedt om af te wijken van het Dagloonbesluit.
De Raad benadrukte dat het Dagloonbesluit bewust kiest voor vereenvoudiging door uit te gaan van het genoten loon in het aangiftetijdvak van de werkgever, ook als dit ongunstige gevolgen kan hebben voor betrokkene. Er is geen hardheidsclausule om hiervan af te wijken. De eerdere uitspraken waarop de rechtbank zich baseerde, zijn in een andere context gegeven en bieden geen grond voor afwijking.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV gegrond, waarbij het dagloon van €111,10 gehandhaafd blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het dagloon van €111,10 gehandhaafd.