Betrokkene verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) in 2014 om een regularisatieovereenkomst te sluiten zodat hij over 2007 en 2010 uitsluitend verzekerd zou zijn onder de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving. De Svb wees dit verzoek af, waarop betrokkene bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond voor de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2010 en vernietigde het besluit.
In hoger beroep betoogde betrokkene dat de Svb ten onrechte afwezig was in de besluitvorming en dat de Svb verplicht was mee te werken aan de regularisatie, ook bij lopende fiscale procedures. De Svb erkende een procedurefout maar stelde dat betrokkene hierdoor niet benadeeld was en handhaafde haar weigering zolang fiscale aanslagen niet onherroepelijk zijn.
De Raad oordeelt dat de Svb bevoegd is voor de periode tot 1 mei 2010 en vanaf die datum als bevoegde autoriteit optreedt. De gedragslijn van de Svb om af te wijzen zolang fiscale procedures lopen en het feitencomplex gelijk is, acht de Raad niet onredelijk. De eerdere uitspraak wordt vernietigd voor zover het beroep gegrond werd verklaard, het besluit wordt herroepen en het beroep wordt in zijn geheel ongegrond verklaard.