Appellant ontving bijstand sinds 1 augustus 2014. Het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens het niet melden van zijn inschrijving als bestuurder van een stichting bij de Kamer van Koophandel en het gebruik van de bankrekening van zijn vader voor eigen transacties. De Sociale Recherche voerde onderzoek uit, waaronder dossieronderzoek, waarnemingen en bankafschriften.
De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard en het college onvoldoende bewijs geacht voor schending van de inlichtingenverplichting vóór 27 april 2015. De Raad toetste het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep van het college. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant vanaf 1 augustus 2014 tot 1 maart 2016 werkzaamheden voor de stichting verrichtte die relevant waren voor de bijstandbeoordeling.
Verder was niet bewezen dat appellant feitelijk over de tegoeden op de bankrekening van zijn vader kon beschikken vóór 1 maart 2016. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor de periode van 1 augustus 2014 tot 1 maart 2016 en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.